De avond valt, mijn voeten
gaan steeds trager.
Daar in de verte… zou de stad
daar zijn?
Ach Jozef, leg je arm nog even
lager,
want in mijn lenden brandt
zo’n vreemde pijn!
Die lange weg, door voeten
uitgesleten –
nooit was een pad mij zo’n
oneindigheid!
Zou Jozef hier misschien een
slaapplaats weten?
Voor rust is het wat mij
betreft hoog tijd.
De poort is gepasseerd, nu
gaat het komen.
We zijn er! Nu een rustplaats
voor de nacht.
Kijk, Jozef neemt het geld dat
hij heeft meegenomen,
hij klopt al op een deur en
wacht…
De waard staat ons wel
vriendelijk te woord
en in zijn ogen zie ik
medelijden.
Hij zegt: ‘Hebt u het dan nog
niet gehoord?
De stad stroomt vol van alle
vier de zijden!’
‘Wat kan ik nog bedenken?’
zegt hij zacht
en op mij wijzend: ‘U zult nog
bezwijken!
Ga rusten in mijn lege stal
vannacht,
dan kunt u morgen naar iets
anders kijken.’
Hij geeft ons nog een lamp en
zegt: ‘Het is niet ver.’ Maar zonder Jozefs steun was ik er nooit gekomen.
De nacht is om ons heen, er
flonkert reeds een ster.
De wind komt plotseling en
schudt de bomen.
Gezegende kerstdagen allemaal!

1 opmerking:
Wat een mooi gedicht. Ik ben net aan een boek begonnen van Joke Verweerd.
Liefs Dicky
Een reactie posten